De chemische methode met de actieve stof glyfosaat is 100% efficiënt in eén enkele behandeling omdat ook de reserves worden bereikt. Om hetzelfde resultaat te bereiken met mechanische onkruidbestrijding, zijn verscheidene behandelingen noodzakelijk, hetgeen de structuur van de bodem kan aantasten. Wanneer men bovendien rekening houdt met de brandstofkosten, is mechanische onkruidbestrijding aanzienlijk duurder dan chemische onkruidbestrijding.

De actieve stof glyfosaat alleen dringt moeilijk door de waslaag van de plant. De hulpstoffen dragen bij tot de penetratie van het glyfosaat in de plant en geven een grotere zekerheid van het resultaat.

De luchtvochtigheid bepaalt oa. de opening van de huidmondjes, die de "toegangspoorten" van de plant zijn. Daarom heeft de luchtvochtigheid ook een onmiddellijke invloed op de opname van producten in de plant.

Glyfosaat blokkeert een bepaald enzym in de Shikimic Aminozuur Sythese - het biochemisch proces waarmee de plant cyclische aminozuren aanmaakt. Dit specifieke enzyme komt niet voor bij mensen en zoogdieren, waardoor het product dus ook een zeer lage toxiciteit heeft en daardoor geen gevarenclassificatie.

De actieve stof wordt zeer snel gebonden in de bodem en vervolgens afgebroken door micro-organismen. Hierdoor verliest het zijn activiteit. persistentie is bijgevolg niet van toepassing op Roundup®.

In het kader van goede landbouwpraktijk en het lozingenbesluit, mag men niet spuiten over oppervlaktewater om contaminatie te voorkomen.

Roundup® kan met de meeste producten gemengd worden. Raadpleeg hiervoor echter steeds uw adviseur voor de juiste uitvoering!


Het is aan te raden om steeds rond de 200 liter te blijven, hoewel sommige specialisten nog lager gaan. In alle gevallen is 400 liter het maximum. Voor rugspuiten wordt een basis van 2% aanbevolen.


De algemene regel is om Roundup® te gebruiken op gezonde planten in volle groei.


FAQ Glyfosaat

Er worden vraagtekens gezet bij het veilig gebruik van Roundup. Roundup en andere glyfosaatmiddelen vormen in Nederland een belangrijke schakel bij de bestrijding van onkruid in de landbouw en de openbaar groensector. Meer zie vraag 2 >> Argumenten uit een artikel van de ‘Earth Open Source Group’ (EOS) worden gebruikt om twijfel te zaaien over het gebruik van glyfosaat. Meer zie vraag 3 >>

In oppervlaktewater aangetroffen glyfosaat zou een gevaar zijn voor de drinkwaterkwaliteit in Nederland. Meer zie vraag 4 >> Het huidig toegelaten gebruik van glyfosaatmiddelen leidt niet tot gevaar voor de volksgezondheid, noch voor milieuorganismen. Dankzij diverse maatregelen en voorlichtingsacties is het glyfosaatgehalte in de rivieren, zo blijkt uit meerjarige metingen op de drinkwateropnamepunten, significant gedaald en zo ver mogelijk beneden de norm gekomen. 

Toepassing van de Motie Grashoff, die het gebruik van Roundup wil verbieden, heeft de kenmerken van een heksenjacht, waarbij rationele gronden ontbreken. Wat is dan het probleem met glyfosaat?

Glyfosaat is de actieve stof in een reeks onkruidmiddelen. In Nederland zijn 67 glyfosaathoudende middelen toegelaten van 21 verschillende toelatingshouders (bron: www.ctgb.nl 27/10/2011). Hiervan zijn er acht met de merknaam Roundup. 

Glyfosaat vormt wereldwijd de meest gebruikte actieve stof in onkruidbestrijdingsmiddelen. Exacte volumes ontbreken, maar geschat ligt het volume van glyfosaat tien keer hoger dan het tweede gebruikte onkruidbestrijdingsmiddel. 

Het gebruik van glyfosaatmiddelen in de Nederlandse landbouw kent diverse toepassingen, waaronder voor en na elk teeltgewas, tussen de rijen bij fruit, bij het vernieuwen van grasland en allerhande plaatsen die een totale onkruidverwijdering vragen. 

Glyfosaatmiddelen hebben belangrijke landbouwkundige voordelen, hoewel deze niet altijd expliciet onderkend worden. Het succesvolle probleemloze gebruik gedurende de afgelopen decennia spreekt hierbij boekdelen (zie: Agronomic benefit of glyphosate in europe.pdf 3.8 MB). 

In de negentiger jaren zijn diverse andere actieve stoffen uit de markt genomen, waardoor de landbouwpraktijk zich meer is gaan richten op onkruidbestrijding op basis van glyfosaat. Deze trend heeft zich de afgelopen jaren doorgezet.

Voor toelating van een gewasbeschermings- of farmaceutisch middel moeten producenten uitgebreid wetenschappelijk onderzoek verrichten. Een dossier omvat informatie over de fysico chemische eigenschappen van het product en analysemethoden om het product of de actieve stof in allerhande compartimenten te detecteren.

De toxiciteitsproeven op de actieve stof en het middel omvatten een uitgebreide lijst van noodzakelijke studies, dit om allerhande mogelijk specifieke risico’s, zoals schade op de DNA, schade op de embryo’s, kankerontwikkeling, chronische orgaanschade e.d. te kunnen evalueren. Residuen in de gewassen, na toepassing dienen bepaald, en te worden vergeleken met de dosis die geen enkel effect heeft. Pas als die residuen lager zijn, kan de toepassing toegelaten worden. Het gedrag in het milieu, fixatie, afbraak, doorspoeling, afspoeling, verwachte concentraties in grond- en oppervlaktewater dienen bepaald te worden. Het onderdeel ecotoxicologie in het dossier bestudeert de giftigheid voor allerhande organismen (vogels, waterorganismen, regenwormen,…) in de milieucompartimenten (water, bodem, lucht,…). De geschatte concentraties in die compartimenten dienen lager te zijn dan de dosis die geen enkel effect veroorzaakt in de daar aanwezige organismen. 

Tot slot moet de werkzaamheid bewezen worden. Middelen die niet werken krijgen geen toelating. Ook de(fyto)toxiciteit tegenover bepaalde gewassen waarin het middel zal worden gebruikt, moet worden onderzocht. Op deze basis worden alle risico’s in de verschillende categorieën ingeschat. Een competente overheid evalueert en bepaalt in welke omstandigheden het middel kan worden gebruikt zonder dat er niet-aanvaardbare effecten op mens, dier en milieu zijn. In Nederland rust die verantwoordelijkheid bij het Ctgb (www.ctgb.nl

Het EOS document maakt een overzicht van een reeks artikelen die negatieve effecten van glyfosaat in verscheidene testsystemen aantonen. De auteurs van deze artikelen concluderen hieruit dat dezelfde effecten zich daarom ook in de mens en andere organismen zullen voordoen. Een competente overheid is bevoegd om deze publicaties te onderzoeken en bij nieuwe gegevens na te gaan of de bestaande risico-evaluaties dienen te worden bijgestuurd of dat eventueel middelen dienen te worden ingetrokken. 

De meeste gegevens waarnaar EOS verwijst werden vroeger al door competente overheden geëvalueerd en toen om specifieke wetenschappelijke redenen niet voldoende relevant beschouwd om de risico’s van glyfosaat hoger in te schatten dan voordien. Eerder hebben de experten van de EU (Duitsland) hierover hun positie gepubliceerd lees meer >>. Ook het Ctgb onderzoekt momenteel deze studies. Ook Monsanto heeft tal van evaluaties uitgevoerd. Meer zie vraag 5 >>

Glyfosaat wordt soms in rivieren (oppervlaktewater) aangetroffen. Diverse EU landen hebben een maximale norm vastgesteld, gebaseerd op risico’s voor waterorganismen. Deze normen worden in Europa bijna nooit overschreden.
Als voorbeeld: De ad hoc MTR in Nederland is 70 µg/L. Indien deze norm wordt overschreden neemt Monsanto direct initiatief tot diepgaand onderzoek, aangezien dit duidt op foutief gebruik of niet toelaatbare contaminaties. 

Eind vorige eeuw is het gebruik van glyfosaatmiddelen sterk toegenomen en daarmee ook de gehalten in rivieren. Er zijn vele contaminaties mogelijk: een boer die na het gebruik van Roundup zijn spuittank spoelt in de rivier, een particulier die de rest van zijn spuitoplossing in het rioolputje giet, …. Ook het afbraakproduct van glyfosaat, AMPA, wordt steeds vaker gevonden. Meer zie vraag 6 >> 

Het gebruik op verhardingen en daarvan de mogelijke afspoeling in riolen en sloten vereist speciale attentie omdat dit als de belangrijkste risicofactor wordt beschouwd. Aanvullend onderzoek heeft geresulteerd in nieuwe inzichten, waarmee met een minimum aan afspoeling, toch een maximale efficiëntie bij de bestrijding van onkruid wordt verkregen. Hierbij is sprake van selectieve toepassing van lage doseringen (www.DOB-verhardingen.nl). Sinds de invoering van dit DOB systeem in Nederland en dankzij nieuwe wetgeving en projecten, zoals het Lozingenbesluit en Project Schone Bronnen, zien we een significante vermindering van de glyfosaatconcentraties in rivieren vanaf 2004. 

Waar ligt dan het probleem?
Nederland neemt een afwijkende positie in als het gaat om de drinkwaternorm: 0.1µg/L. Meer zie vraag 7 >> Deze norm geldt op plaatsen waar water wordt onttrokken voor de productie van drinkwater. Deze norm (geldig voor alle bestrijdingsmiddelen) is van toepassing vòòr de zuivering, nodig om van rivier- of oppervlaktewater drinkwater te maken. Het verschil met de andere landen ligt hem in het feit dat in de andere landen deze 0.1µg/L norm geldig is na zuivering en dus niet zoals in Nederland op het ruwe water. Hierbij moet worden opgemerkt dat glyfosaat eenvoudig en relatief goedkoop is te verwijderen uit oppervlaktewater, waardoor het geen enkel probleem vormt in drinkwater. Lees meer >> (WRC Report UC7374 July 2007)

Monsanto heeft tal van vragen met betrekking tot een verantwoord gebruik van Roundup en glyfosaat in relatie tot de volksgezondheid gepubliceerd. 

Lees meer >> EN
Lees meer >> DE

AMPA, het afbraakproduct van glyfosaat in bodem en water, wordt in Nederland in toenemende mate aangetroffen in rivierwater. Deze ontwikkeling baart zorgen.

Relevant is echter dat AMPA op basis van toxicologische eigenschappen als een niet humaan toxicologisch relevante metaboliet wordt beschouwd. Ook in water heeft AMPA een norm (lees meer >>) van 79µg/L. Die norm wordt praktisch nooit overschreden. Mocht dit zo zijn, dan wil Monsanto een grondige studie naar de oorzaak hiervan.

De laatste jaren is duidelijk geworden dat AMPA niet alleen afkomstig is van glyfosaat. AMPA is eveneens een afbraakproduct van fosfonaten; ondermeer gebruikt in koelinstallaties en wasmiddelen. Ook is AMPA als onzuiverheid aanwezig in huishoudelijke wasproducten. Er zijn in tegenstelling tot glyfosaat vooralsnog geen studies voorhanden, die het verband tussen deze toepassing en de aanwezigheid van AMPA in oppervlaktewater uiteen zetten.

De glyfosaatconcentraties bij drinkwateropnamepunten in het Rijnbekken blijven onder de drinkwater limiet van 0.1µg/L. In het Maasbekken ligt dit anders. De instroom van glyfosaat uit de buurlanden (BE en FR) speelt daarbij een belangrijke rol. Dit is duidelijk uit onderstaande figuur. De concentraties glyfosaat zijn duidelijk hoger bij het drinkwateropnamepunt in Heel (vlakbij de Belgische grens). Ook de daling in Heel is minder sterk, vergeleken met andere drinkwateropnamepunten in Nederland. Hoe verder richting Noordzee (Zie bijvoorbeeld drinkwateropnamepunt Keizersveer), hoe lager de gevonden glyfosaatconcentraties. Resumerend is de Nederlandse afvloeiing dus onder controle, met de laatste jaren een duidelijke daling van glyfosaatconcentraties (zie onderstaande grafieken).

Via een omgekeerde berekening kan modelmatig worden bepaald hoeveel glyfosaat maximaal aan de NL/BE grens mag binnenkomen om zo de Nederlandse drinkwater limiet (0.1µg/L) te halen bij de opnamepunten. Maximaal zou er 0.14µg/l glyfosaat Nederland mogen binnenkomen. In BE is de norm 10 µg/L, op basis van toxicologische gegevens voor waterorganismen voor glyfosaat in rivierwater (PNEC). De toegelaten norm in België is dus 100 keer hoger. Een waarde van bijvoorbeeld 0.15 µg/l glyfosaat in Belgisch rivierwater is dus geen enkel probleem (0.15 µg/l ligt onder de 10 µg/l norm) maar vormt dus wel een probleem wanneer dit in Nederland wordt opgenomen als ruw water voor drinkwaterproductie. Dit betekent dat ook bij een totaal verbod van glyfosaat in Nederland volgens bovenstaand voorbeeld niet aan de norm in Nederland wordt voldaan. Klik hier voor meer wetenschappelijke informatie (Nota Analyse glyfosaatmetingen 2000-2010)

Klik hier voor een update van deze nota met cijfers inclusief 2014 (Analyse van de gemeten glyfosaat concentraties in Maas en Rijn ter hoogte van de punten voor drinkwaterinname in de periode 2000-2014).


Aanleiding voor deze vraag betreft een publicatie van Chinese auteurs (Gui et al.) in sciencedirect.com op 04/04/2012. 

Deze studie is, zoals veel vergelijkbare studies, direct uitgevoerd op celculturen in een laboratoriumomgeving. De gebruikte doses waren zeer hoog, met een hoog celsterfpercentage tot gevolg. Bij de gebruikte hoge doses worden overigens ook andere types celculturen gedood. Dergelijke hoge concentraties komen in de verste verten niet voor in het menselijk lichaam na onvoorzien contact met glyfosaat. 

Dit type onderzoek is bedoeld om een mogelijke indicatie te geven van een mechanisme. Feitelijke vaststelling vindt plaats door middel van “in vivo” confirmatie in de vorm van dierproeven en klinische testen. 

Langdurige dierproeven, ruimschoots voorhanden na meer dan 30 jaar glyfosaat gebruik, studies en klinische resultaten bij mensen wijzen niet op enige link met de ziekte van Parkinson. Een recente epidemiologische studie (2012*) bevestigt opnieuw voorgaande conclusie. 

Conclusie: Het Chinese onderzoek waarnaar in diverse landelijke media recentelijk wordt verwezen, brengt geen nieuwe feiten aan het licht in relatie tot de risico-evaluatie van glyfosaat en kunnen als niet relevant worden beschouwd. 

* Referentie: Mink PJ, Mandel JS, Lundin JI, Sceuman BK. 2011. Epidemiologic Studies of Glyphosate and Non-Cancer Health Outcomes: A Review. Regulatory Toxicology and Pharmacology 61: 172-184. doi:10.1016/j.yrtph.2011.07.006